Relaties

Relaties komen voort uit gedachten en zijn een afgeleide vorm van een verlangen, heel diep in de mens. Vaak vindt de mens zich ook niet terug in deze relaties.

Hij past zich aan en weet wat familie en vrienden van hem verwachten, maar hij moet altijd maar afwachten welke mogelijkheden en ruimte hij van de ander krijgt

Hij is daarin afhankelijk. Relaties zijn altijd emotie-verbindingen. 

Emoties zijn de bron waaruit relaties ontstaan en kun je dan ook zien als een manier van overleven. Ze bieden de mens houvast. Verder zijn relaties nodig als spiegel, als reflectiepunt, want alleen in het contact met de ander kan je iets over jezelf leren omdat je eigen lessen weerspiegeld worden in de ander.

Een wezen dat een lichaam heeft uitgekozen om in te dalen, zoekt zich geen familie uit. Het wezen wordt getrokken door een trilling van verlangen, behorende bij een milieu, waarin hij het beste zijn lessen kan leren. Kinderen zijn alleen een lichamelijk deel van de ouder, de bloedband. Het eerste contact dat een kind heeft is met zijn ouders, het is een functionele relatie om het kind de mogelijkheid te geven zijn eigen lessen te leren, het een aantal handreikingen te geven, bijvoorbeeld goede voeding zodat het gezond blijft, en de mogelijkheid tot studeren waardoor het een zelfstandig bestaan kan opbouwen en zijn eigen pad gaat lopen. Dan heeft het ouderschap een prima functie gehad, maar meer ook niet.

Of het nu een gezin is met liefdevolle ouders, of met ouders die het kind weinig aandacht geven en het niet belangrijk vinden, maakt voor het wezen niets uit; want het wezen wil alleen maar zijn les leren. Soms hoor je dat er een behoorlijke strijd kan zijn, dat ouders en kinderen negatief op elkaar reageren en dat ligt aan de les die het wezen heeft meegenomen. Het kan zijn dat het kind dezelfde les heeft als de ouders, dus positief-positief, maar het kan ook zijn dat de les haaks staat op de les van de ouders en juist tegengesteld werkt: positief-negatief. In een gezin waar meerdere kinderen aanwezig zijn, gebeurt het vaak dat de kinderen elkaar niet kunnen luchten of zien. Dat is niet vreemd, want ieder wezen wordt getrokken naar een bepaalde trilling voor zijn eigen les en het betekent dat ook broers en zussen door dezelfde trilling zijn aangetrokken. Ze hebben elk hun les, die met dezelfde begeertetrilling te maken heeft, en zien zodoende steeds het eigen spiegelbeeld in elkaar terug. Maar als je dit weet ga je al heel anders kijken naar je broers en zussen en weet: waar ik nu tegenaan loop, zegt niets van de ander. Ik kijk in de spiegel en zie dat het mijn eigen les is.

Bij sommige mensen word je bij het zien van iemands neus al moe en voel je de energie uit je wegtrekken. De ander heeft in het contact met jou dan veel energie bij elkaar kunnen zuigen en gaat energiek de deur uit, terwijl jij vermoeid en leeg achterblijft. Als je daarmee geconfronteerd wordt zal je wezen aangeven: dit moet ik afkappen, hier word ik ziek van.

Wanneer je gaat luisteren naar je wezen, de zilveren stroom in jezelf, ga je ontdekken dat familiebanden meestal geen zilver in zich dragen, terwijl er, met een in je ogen volslagen vreemde, opeens een zilveren band blijkt te bestaan. In het bewustzijnsniveau van dat moment, ontdek je op zo'n moment wie er bij je geestelijke familie hoort. De volbewuste mens heeft zijn afhankelijkheden doorzien en de geldende normen hebben geen invloed meer op hem. Hij vindt het leuk om met mensen om te gaan, maar hij ziet het omgaan met mensen als de eendjes op een vijver, het verlevendigt. Deze mens haalt geen voeding meer uit relaties en heeft de ander niet meer nodig voor zijn eigen ontwikkeling. Hij onderhoudt geen vriendschappen, hij weet dat vriendschap een emotie is en hij heeft ook geen angst om alleen te komen staan.